Citaat | Hoge Raad 2 april 2019

Onder 2.2.2. Hoge Raad 2 april 2019

Een alinea uit Hoge Raad 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:441.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat op het verhoor door de parlementaire enquĂȘtecommissie de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende waarborgen niet van toepassing zijn, nu deze procedure niet strekt tot een 'determination of a criminal charge'. In de onderhavige strafzaak is artikel 6 EVRM vanzelfsprekend wel van toepassing en dit artikel biedt onder meer bescherming tegen onder dwang afgelegde verklaringen omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij enig strafbaar feit. De verdachte heeft als getuige bij de PECW (weliswaar ontkennend, maar dat is niet doorslaggevend) geantwoord op twee vragen naar mogelijke omkoping. Gelet op de uit de WPE voortvloeiende verplichtingen, kan in de onderhavige strafzaak worden gesproken over een 'afgedwongen verklaring'. Echter, deze verklaring (inhoudende - kort gezegd - dat hij nooit geld, gunsten of steekpenningen heeft aangenomen) is, noch zal in de strafrechtelijke procedure voor zover het de eerste vijf feiten betreft als bewijsmiddel gebruikt worden. Dit laatste geldt overigens (ook) voor alle andere antwoorden die de verdachte tijdens het besloten en openbare verhoor door de PECW heeft gegeven. Van schending van artikel 6 EVRM is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8258724cd577073d72900d359b2c00d19ec47945e97c5c1369fe98d1f9387cdb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8258724cd577073d72900d359b2c00d19ec47945e97c5c1369fe98d1f9387cdb, en de alinea staat in dat document op bytes 15676 tot 16935.