Citaat | Hoge Raad 2 april 2019
Onder 2.5.2. Hoge Raad 2 april 2019
Een alinea uit Hoge Raad 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:441.
Blijkens zijn hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof de door de verdachte ten overstaan van de PECW afgelegde verklaring in de onderhavige strafzaak enkel gebezigd tot het bewijs van meineed. Anders dan het middel betoogt, staat art. 6 EVRM niet in de weg aan het gebruik van deze verklaring voor het bewijs van dat feit. Art. 6 EVRM strekt namelijk niet tot bescherming van een verdachte die als getuige tegenover een parlementaire enquêtecommissie opzettelijk in strijd met de waarheid een verklaring heeft afgelegd en daarmee een strafbaar feit heeft gepleegd (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5456 en EHRM 23 maart 2006, nr. 38258/03 (Van Vondel tegen Nederland), ECLI:CE:ECHR:2006:0323DEC003825803). Daaraan doet niet af de omstandigheid dat jegens de verdachte ten tijde van het afleggen van zijn verklaring tegenover de parlementaire enquêtecommissie kennelijk reeds een verdenking ter zake van - kort gezegd - het in dienstbetrekking aannemen van giften bestond. Ook in die situatie gelden de waarborgen van art. 30-32 WPE in relatie tot het gebruik van die verklaring ten behoeve van strafvervolging met betrekking tot het feit of de feiten waarop die verklaring betrekking heeft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8258724cd577073d72900d359b2c00d19ec47945e97c5c1369fe98d1f9387cdb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8258724cd577073d72900d359b2c00d19ec47945e97c5c1369fe98d1f9387cdb, en de alinea staat in dat document op bytes 39429 tot 40660.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8258724cd577073d72900d359b2c00d19ec47945e97c5c1369fe98d1f9387cdb | shasum -a 256