Citaat | Hoge Raad 29 maart 2019
Onder 4.2.2 Hoge Raad 29 maart 2019
Een alinea uit Hoge Raad 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443.
Gelet op het vorenstaande moet de zinsnede van art. 7 lid 1 Rv dat “de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft” aldus worden verstaan dat de Nederlandse rechter – als eerste voorwaarde voor toepassing van art. 7 lid 1 Rv – ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht dient te hebben op een andere grond dan die vermeld in art. 7 lid 1 Rv zelf. Als aan die voorwaarde is voldaan, geldt als tweede voorwaarde voor toepassing van art. 7 lid 1 Rv dat de vorderingen tegen de andere gedaagde(n) voldoende samenhang vertonen met de vorderingen tegen de gedaagde ten aanzien van wie de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op een andere grond dan die vermeld in art. 7 lid 1 Rv zelf. Anders dan de klacht betoogt, reikt art. 7 lid 1 Rv dus niet zo ver dat ten aanzien van een gedaagde rechtsmacht kan bestaan op de enkele grond dat de vorderingen tegen deze gedaagde samenhangen met de vorderingen tegen een gedaagde ten aanzien van wie rechtsmacht uitsluitend is aangenomen op grond van art. 7 lid 1 Rv.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2b73656ede0a2bb55b80bb371802c8125698c50657cf3d6b849bf574855b6df0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2b73656ede0a2bb55b80bb371802c8125698c50657cf3d6b849bf574855b6df0, en de alinea staat in dat document op bytes 25214 tot 26286.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2b73656ede0a2bb55b80bb371802c8125698c50657cf3d6b849bf574855b6df0 | shasum -a 256