Citaat | Hoge Raad 29 maart 2019
Onder 3.3.2 Hoge Raad 29 maart 2019
Een alinea uit Hoge Raad 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:467.
Deze klacht is gegrond. De hiervoor in 3.3.1 weergegeven stellingen komen erop neer dat [betrokkene 2] heeft gehandeld als vertegenwoordiger van [verweerster] en dat de Stichting in de gegeven omstandigheden heeft mogen vertrouwen op zijn bevoegdheid daartoe (art. 3:61 lid 2 BW). Deze stellingen kunnen, indien juist, meebrengen dat bij de beoordeling van het beroep op dwaling de kennis van [betrokkene 2] op grond van art. 3:66 lid 2 BW aan [verweerster] moet worden toegerekend. Met de overweging dat niet is gebleken dat [betrokkene 2] over enige bevoegdheid beschikte om [verweerster] te vertegenwoordigen heeft het hof dan ook onvoldoende op deze stellingen gerespondeerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dace120e84d82bedabf94d3e4d9a18d6083560fda37fcd9216cf26eb1868e167. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dace120e84d82bedabf94d3e4d9a18d6083560fda37fcd9216cf26eb1868e167, en de alinea staat in dat document op bytes 20091 tot 20783.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dace120e84d82bedabf94d3e4d9a18d6083560fda37fcd9216cf26eb1868e167 | shasum -a 256