Citaat | Hoge Raad 2 april 2019

Onder 3.4. Hoge Raad 2 april 2019

Een alinea uit Hoge Raad 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:474.

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte en zijn mededader [betrokkene 15] hebben in de tenlastegelegde periode herhaaldelijk contante, uit misdrijf afkomstige, geldbedragen van in totaal ruim 4,5 miljoen euro van "de groep [betrokkene 3] / [betrokkene 2] / [betrokkene 1] " ontvangen. De verdachte en zijn mededader hebben die geldbedragen telkens vervoerd naar en vervolgens bewaard in een kluis in een woning aan het [a-straat 1] in [woonplaats]. Die woning werd gedurende de tenlastegelegde periode ondershands gehuurd door de verdachte, maar volgens de gemeentelijke basisadministratie waren andere personen ingeschreven op dat adres. Na de inbeslagname heeft niemand zich als rechthebbende op het geld gemeld bij de justitiële autoriteiten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c2ce5e65f5a97885b2d5a6a4ce7d72270732906666c39c6ed1c251b226191cad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c2ce5e65f5a97885b2d5a6a4ce7d72270732906666c39c6ed1c251b226191cad, en de alinea staat in dat document op bytes 20870 tot 21680.