Citaat | Hoge Raad 5 april 2019
Onder 4.2. Hoge Raad 5 april 2019
Een alinea uit Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:482.
2) Houdt de tegenbewijsmogelijkheid die belanghebbende heeft met betrekking tot de periode waarover het na te heffen bedrag wordt berekend op grond van artikel 34, tweede lid, in verbinding met artikel 13, tweede lid, van de Wet, in dat voldoende is dat belanghebbende aannemelijk maakt met ingang van welke dag het motorrijtuig aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan?
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ab7ee0e75ee9ecb11bf844596489a4ca4ab72c2e8e31ec24164dad6eca13bc7a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ab7ee0e75ee9ecb11bf844596489a4ca4ab72c2e8e31ec24164dad6eca13bc7a, en de alinea staat in dat document op bytes 10290 tot 10681.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ab7ee0e75ee9ecb11bf844596489a4ca4ab72c2e8e31ec24164dad6eca13bc7a | shasum -a 256