Citaat | Hoge Raad 9 april 2019
Onder 4.3.1. Hoge Raad 9 april 2019
Een alinea uit Hoge Raad 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:546.
37. Voorts vormen de grondrechten die erkend zijn door het Handvest - dat krachtens artikel 6, lid 1, VEU dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft - een wezenskenmerk van deze juridische constructie. De eerbiediging van deze rechten vormt een voorwaarde voor de rechtmatigheid van de handelingen van de Unie, zodat maatregelen die onverenigbaar zijn met deze rechten niet kunnen worden toegestaan in de Unie [zie in die zin arresten van 18 juni 1991, ERT, C-260/89, EU:C:1991:254, punt 41; 29 mei 1997, Kremzow, C-299/95, EU:C:1997:254, punt 14; 12 juni 2003, Schmidberger, C-112/00, EU:C:2003:333, punt 73, en 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C-402/05 P en C-415/05 P, EU:C:2008:461, punten 283 en 284, en advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C: 2014:2454, punt 169].
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/531bfcdd158bc3331938a92e6d1fcf2dcf3932c926512faadaf518a7c21015ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 531bfcdd158bc3331938a92e6d1fcf2dcf3932c926512faadaf518a7c21015ff, en de alinea staat in dat document op bytes 23233 tot 24110.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/531bfcdd158bc3331938a92e6d1fcf2dcf3932c926512faadaf518a7c21015ff | shasum -a 256