Citaat | Hoge Raad 12 april 2019

Onder 4.3.3 Hoge Raad 12 april 2019

Een alinea uit Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:565.

Het onderdeel stelt de vraag aan de orde of de voorlopige voorzieningen in strijd zijn met het recht op tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak binnen een redelijke termijn. Dit fundamentele recht maakt deel uit van het recht op toegang tot de rechter en wordt als zodanig onder meer beschermd door art. 6 EVRM. Wat moet worden verstaan onder ‘een redelijke termijn’ voor tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak kan daarbij niet in zijn algemeenheid worden gezegd, maar hangt af van de omstandigheden van het voorliggende geval (vgl. bijv. EHRM 14 september 2017, nr. 17739/09 (Bozza v. Italië), onder 46, EHRM 1 juli 2014, nr. 29920/05 e.a. (Gerasimov e.a. v. Rusland), onder 168 en EHRM 15 februari 2007, nr. 22000/03 (Raylyan v. Rusland) onder 31).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6d42c25330099e0626221cb73f8e2c5c5cf5b059e38c1515269774fd6080b221. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6d42c25330099e0626221cb73f8e2c5c5cf5b059e38c1515269774fd6080b221, en de alinea staat in dat document op bytes 27022 tot 27809.