Citaat | Hoge Raad 12 april 2019

Onder 3.3.5 Hoge Raad 12 april 2019

Een alinea uit Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575.

Uit het hiervoor in 3.3.3 en 3.3.4 overwogene volgt dat het hof had moeten onderzoeken of het op art. 810a lid 2 Rv gebaseerde verzoek van de moeder voldoende concreet en ter zake dienend was, en zo ja, of het belang van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek verzette. Nu uit de overwegingen van het hof niet blijkt dat het hof dit onderzoek heeft verricht en het hof bij de afwijzing van het verzoek heeft volstaan met de overweging dat het zich “voldoende voorgelicht” achtte, geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is dus gegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7c2f174dc148d785fcf02be8850b88b323088a0a1fd263125c74c85329451e29. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7c2f174dc148d785fcf02be8850b88b323088a0a1fd263125c74c85329451e29, en de alinea staat in dat document op bytes 12671 tot 13276.