Citaat | Hoge Raad 12 april 2019

Onder 2.2 Hoge Raad 12 april 2019

Een alinea uit Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:591.

Uit de hiervoor in 2.2 genoemde mededeling van de rechtbank volgt dat de prejudiciële vragen geen beantwoording meer behoeven om te beslissen in de zaak waarin zij zijn gesteld. De advocaat van [Cliënt] heeft in zijn hiervoor in 2.2 genoemde brief aangedrongen op beantwoording van de vragen met toepassing van art. 393 lid 9 Rv. Omdat de vragen gelijkluidend zijn aan de vragen die de rechtbank in de zaak 18/03941 heeft gesteld, en eventuele verschillen tussen de aan de zaken ten grondslag liggende feiten voor de beantwoording van de vragen niet van belang zijn, zal de Hoge Raad in de onderhavige zaak afzien van beantwoording van de vragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ef77a68ee85f1e9d02c839abe79492376df59d725107b22c30475f4e04db5e45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ef77a68ee85f1e9d02c839abe79492376df59d725107b22c30475f4e04db5e45, en de alinea staat in dat document op bytes 7443 tot 8104.