Citaat | Hoge Raad 23 april 2019
Onder 5.6.2. Hoge Raad 23 april 2019
Een alinea uit Hoge Raad 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:601.
Uit deze rechtspraak volgt dat bij de beantwoording van de vraag of aan de omstandigheid dat een ontnemingsvordering wordt ingediend zonder dat het voornemen daartoe op de wijze als voorzien in het eerste lid van art. 311 Sv is aangekondigd, een rechtsgevolg moet worden verbonden, mede bepalend is het vertrouwen dat de betrokkene in het concrete geval mocht hebben dat het op enig moment indienen van een ontnemingsvordering achterwege zou blijven. Dat betekent dat in een bijzonder geval waarin het openbaar ministerie afziet van het instellen van een ontnemingsvordering met een uitdrukkelijk, voor de betrokkene kenbaar voorbehoud voor het geval op een later moment alsnog verhaalsmogelijkheden blijken te bestaan, de betrokkene zich in beginsel niet op een zodanig gerechtvaardigd vertrouwen zal kunnen beroepen indien vanwege het beschikbaar komen van verhaalsmogelijkheden het openbaar ministerie alsnog komt tot het instellen van een ontnemingsvordering en op dat moment de in art. 311, eerste lid derde volzin, Sv genoemde termijn reeds is verstreken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0752faffabfad3d170c7945d33fb21b23e0f8c11b751196ebb70ab5252b46ce4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0752faffabfad3d170c7945d33fb21b23e0f8c11b751196ebb70ab5252b46ce4, en de alinea staat in dat document op bytes 55141 tot 56215.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0752faffabfad3d170c7945d33fb21b23e0f8c11b751196ebb70ab5252b46ce4 | shasum -a 256