Citaat | Hoge Raad 19 april 2019
Onder 2.4.2. Hoge Raad 19 april 2019
Een alinea uit Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:627.
Het door belanghebbende met een beroep op artikel 1 EP bestreden onderdeel van de premieheffing, te weten de opslag van 0,7 procent in verband met het individuele werkgeversrisicopercentage, heeft een voldoende basis in artikel 38 Wfsv in verbinding met artikel 2.13 Besluit Wfsv. Die regeling is voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening. Daarbij is mede van belang dat voor belanghebbende op 1 januari 2014 voorzienbaar was dat de toepassing van die regeling tot gevolg had dat zij ter zake van het loon dat door haar werknemers in 2014 zou worden genoten, werd belast naar de voor 2014 geldende premiestelling. Aan de vereisten van ‘lawfulness’ is dan ook voldaan. Dit wordt niet anders door de hiervoor in 2.1.3 vermelde omstandigheid dat de premies voor 2014 mede met behulp van gegevens uit 2012 werden berekend (zie in verband met die omstandigheid ook hierna 2.4.4 tot en met 2.4.9).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3fee9d33117cb4d649f803f8a1a3bf453b137930b2dea712dd0c98c7c110f19. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3fee9d33117cb4d649f803f8a1a3bf453b137930b2dea712dd0c98c7c110f19, en de alinea staat in dat document op bytes 12948 tot 13880.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f3fee9d33117cb4d649f803f8a1a3bf453b137930b2dea712dd0c98c7c110f19 | shasum -a 256