Citaat | Hoge Raad 19 april 2019

Onder 3.6.2 Hoge Raad 19 april 2019

Een alinea uit Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649.

Er is, tegen de achtergrond van het hiervoor in 3.4.1-3.5.2 overwogene, geen grond om bij de beantwoording van de vraag of een werknemer ‘van de vof’ een aan zijn vordering verbonden voorrecht geldend kan maken, onderscheid te maken tussen het geval waarin hij de vordering instelt jegens de gezamenlijke vennoten en dat waarin hij de vordering instelt jegens een individuele vennoot. De verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst rusten immers op de gezamenlijke vennoten en daarmee op iedere vennoot afzonderlijk (zie hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3). Dat aan de vof in het rechtsverkeer een zekere mate van zelfstandigheid ten opzichte van de afzonderlijke vennoten toekomt, maakt dit niet anders. Een andere opvatting zou afbreuk doen aan het uitgangspunt dat het wettelijke voorrecht van werknemers betrekking heeft op het gehele vermogen van de schuldenaar (art. 3:276 BW) en strekt ter bescherming van de werknemers. Werknemers zouden in die andere opvatting jegens een afzonderlijke vennoot immers slechts beschikken over een concurrente vordering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bf6780856d880e9b3c890e9af0cdee2ddcdb9aaf67f313ae820a501460a1dea2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bf6780856d880e9b3c890e9af0cdee2ddcdb9aaf67f313ae820a501460a1dea2, en de alinea staat in dat document op bytes 20484 tot 21552.