Citaat | Hoge Raad 10 mei 2019
Onder 3.2.2 Hoge Raad 10 mei 2019
Een alinea uit Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707.
11. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen is boek 3 titel 7 BW niet van toepassing aangezien het eigendom van de woning uitsluitend toekomt aan de man. Er is derhalve niet sprake van een eenvoudige gemeenschap. Op basis van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld kan het hof niet vaststellen of, en zo ja welke afspraken partijen hebben gemaakt met betrekking tot de verbouwing van de woning en de draagplicht van de kosten. Uit de stukken volgt dat de moeder van de vrouw de verbouwing heeft gefinancierd. Uit productie 3 bij de memorie van antwoord volgt dat de vrouw en haar moeder eerst op 26 april 2013 een overeenkomst van geldlening hebben vastgelegd met betrekking tot de verbouwing van het woonhuis. Deze schriftelijke vastlegging dateert van ruimschoots na de verbouwing en nadat partijen uit elkaar zijn gegaan. In de visie van de man hebben de ouders van de vrouw het geld aan haar geschonken als een vervroegd deel op haar erfenis. Voorts heeft de man gesteld dat hij nooit geld heeft ontvangen dan wel rekeningen heeft gezien met betrekking tot de verbouwing. Facturen werden rechtstreeks door de moeder van de vrouw aan de aannemer betaald.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2af4c260929f370c7d727fcbead928a39839a9901decc470607c8ad3076ef29d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2af4c260929f370c7d727fcbead928a39839a9901decc470607c8ad3076ef29d, en de alinea staat in dat document op bytes 10108 tot 11289.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2af4c260929f370c7d727fcbead928a39839a9901decc470607c8ad3076ef29d | shasum -a 256