Citaat | Hoge Raad 22 januari 2019

Onder 2.8. Hoge Raad 22 januari 2019

Een alinea uit Hoge Raad 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:87.

Hieraan doet niet af dat in art. 309 Sr de omstandigheid dat het misdrijf in de uitoefening van een beroep is begaan, niet alleen wordt aangewezen als grond voor ontzetting van het recht om een beroep uit te oefenen, maar tevens geldt als grond voor verhoging van het maximum van de gevangenisstraf. In relatie tot deze verhoging van het strafmaximum geldt wel de regel dat de strafverzwarende omstandigheid bij de strafoplegging slechts in aanmerking kan worden genomen indien zij aan de verdachte is tenlastegelegd en door middel van wettige bewijsmiddelen is bewezen (vgl. met betrekking tot art. 43a Sr, HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467). In het geval dat deze omstandigheid niet is tenlastegelegd, is de rechter gebonden aan het maximum van de op het bewezenverklaarde feit gestelde straf, maar is een ontzetting van het recht om een beroep uit te oefenen niet uitgesloten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e0ef454d71bee4daf1db8118e8bbf7663faf133983b7023607a4b2b11c8f7413. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e0ef454d71bee4daf1db8118e8bbf7663faf133983b7023607a4b2b11c8f7413, en de alinea staat in dat document op bytes 21585 tot 22482.