Citaat | Hoge Raad 22 januari 2019
Onder 3.4.3. Hoge Raad 22 januari 2019
Een alinea uit Hoge Raad 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:87.
Naar aanleiding van hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 46 - 55 naar voren is gebracht over de voorwaardelijke toevoeging in strafzaken merkt de Hoge Raad op dat in het aldaar genoemde arrest HR 15 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4098 met betrekking tot art. 31 (oud) Wet op de rechtsbijstand (voorwaardelijke toevoeging) is overwogen "dat art. 31 Wrb op strafzaken geen betrekking heeft", waaruit werd afgeleid dat een voorwaardelijke toevoeging op grond van art. 31 (oud) Wrb niet mogelijk werd geacht in strafzaken. Deze regel heeft - evenals thans geldt voor art. 34g Wrb waarin deze materie is geregeld in de vorm van de mogelijkheid van intrekking met terugwerkende kracht van een toevoeging - uitsluitend betrekking op de toevoeging van een raadsman aan een verdachte in een strafzaak en ziet niet op de toevoeging van een advocaat aan degene die zich als benadeelde partij voegt in een strafzaak.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e0ef454d71bee4daf1db8118e8bbf7663faf133983b7023607a4b2b11c8f7413. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e0ef454d71bee4daf1db8118e8bbf7663faf133983b7023607a4b2b11c8f7413, en de alinea staat in dat document op bytes 29366 tot 30299.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e0ef454d71bee4daf1db8118e8bbf7663faf133983b7023607a4b2b11c8f7413 | shasum -a 256