Citaat | Hoge Raad 11 juni 2019

Onder 2.5. Hoge Raad 11 juni 2019

Een alinea uit Hoge Raad 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:907.

Voor een bewezenverklaring van de in art. 96, tweede lid, Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr omschreven misdrijven, is voldoende dat het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden of bevorderen van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. Vereist is daarom slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96, tweede lid, Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht (vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd0fb41db1ed72614400c9fe7b5bc73b2813b624a2b0d4fb52f5776658a9ecc4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd0fb41db1ed72614400c9fe7b5bc73b2813b624a2b0d4fb52f5776658a9ecc4, en de alinea staat in dat document op bytes 19184 tot 19849.