Citaat | Hoge Raad 14 juni 2019
Onder 3.4 Hoge Raad 14 juni 2019
Een alinea uit Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:925.
Het hof heeft over de vraag of de Nederlandse rechter als rechter van het Erfolgsort bevoegd is, als volgt overwogen. VEB stelt dat het in dit geding gaat om zuiver financiële schade (vermogensschade) die door aandeelhouders van BP is geleden op de beleggings- of effectenrekening waar de aandelen administratief waren bijgeschreven (en niet op de betaal- of bankrekening die is gebruikt om de aankoopsom van de aandelen te voldoen). (rov. 3.15) VEB en BP zijn verdeeld over de verhouding tussen de uitspraak HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank) (hierna: het Kolassa-arrest) en de uitspraak HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music/Schilling) (hierna: het Universal Music-arrest) en de consequenties daarvan voor de onderhavige zaak. (rov. 3.16)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/446b2d6a6e5fe5014896283350695a971b3bcafcdae8119ea235e5facc3fc293. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 446b2d6a6e5fe5014896283350695a971b3bcafcdae8119ea235e5facc3fc293, en de alinea staat in dat document op bytes 13988 tot 14854.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/446b2d6a6e5fe5014896283350695a971b3bcafcdae8119ea235e5facc3fc293 | shasum -a 256