Citaat | Hoge Raad 14 juni 2019

Onder 4.9.6 Hoge Raad 14 juni 2019

Een alinea uit Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:925.

Als de Nederlandse rechter bevoegd is in een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW van de vorderingen van VEB kennis te nemen en voor recht zou verklaren dat BP onrechtmatig heeft gehandeld jegens de BP-aandeelhouders, kunnen die aandeelhouders op basis daarvan in een nieuwe procedure individueel een vordering aanhangig maken tot schadevergoeding te voldoen in geld. Als dat zich voordoet, is van belang of dergelijke vorderingen aanhangig gemaakt kunnen worden bij de rechter die bevoegd was over de collectieve actie te oordelen. Die vraag kan opkomen als de woonplaats van de BP-aandeelhouder of de locatie in Nederland van zijn bank- en/of beleggingsrekening gelegen is buiten het rechtsgebied van de aangezochte rechter. In verband daarmee wordt ook verwezen naar vraag 4 en de hierna opgenomen toelichting op die vraag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/446b2d6a6e5fe5014896283350695a971b3bcafcdae8119ea235e5facc3fc293. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 446b2d6a6e5fe5014896283350695a971b3bcafcdae8119ea235e5facc3fc293, en de alinea staat in dat document op bytes 43926 tot 44776.