Citaat | Hoge Raad 26 juni 2020
Onder 3.3 Hoge Raad 26 juni 2020
Een alinea uit Hoge Raad 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1144.
Het middel is onder meer gericht tegen de hiervoor in 3.2.2, eerste alinea, weergegeven oordelen van het Hof. Het betoogt dat aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of de Inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden door belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de in geding zijnde uitnodigingen tot betaling in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het middel slaagt in zoverre op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 2.4.2 en 2.4.3 van het arrest dat de Hoge Raad op 19 juni 2020 heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/03982 . De hiervoor in 3.2.2, eerste alinea, weergegeven oordelen van het Hof geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0fea3fd77e4018d5fcd49a07e8f23d013b1405502d4096fd84749d7b8cff0a6f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0fea3fd77e4018d5fcd49a07e8f23d013b1405502d4096fd84749d7b8cff0a6f, en de alinea staat in dat document op bytes 9598 tot 10425.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0fea3fd77e4018d5fcd49a07e8f23d013b1405502d4096fd84749d7b8cff0a6f | shasum -a 256