Citaat | Hoge Raad 26 juni 2020

Onder 3.5.2 Hoge Raad 26 juni 2020

Een alinea uit Hoge Raad 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1144.

De Inspecteur heeft als rechtvaardiging voor het niet vooraf horen van belanghebbende aangevoerd dat hij de aanslagbiljetten van 16 december 2005, 1 maart 2006 en 2 maart 2006 heeft doen uitreiken vanwege een dreigende verjaring van de douaneschulden die zijn ontstaan voor twee douaneaangiften van 30 december 2002, een douaneaangifte van 3 maart 2003, respectievelijk twee douaneaangiften van 5 maart 2003. Een dreigende verjaring van de douaneschuld is een grond die kan rechtvaardigen dat de belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodiging tot betaling in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord. Gelet op de verjaringstermijn van drie jaar had de Inspecteur een rechtvaardiging om voor de hiervoor bedoelde douaneaangiften de verschuldigde douanerechten na te vorderen zonder belanghebbende eerst te horen en heeft hij dus het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel in zoverre niet geschonden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0fea3fd77e4018d5fcd49a07e8f23d013b1405502d4096fd84749d7b8cff0a6f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0fea3fd77e4018d5fcd49a07e8f23d013b1405502d4096fd84749d7b8cff0a6f, en de alinea staat in dat document op bytes 11152 tot 12153.