Citaat | Hoge Raad 26 juni 2020

Onder 3.5.3 Hoge Raad 26 juni 2020

Een alinea uit Hoge Raad 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1144.

Op de aanslagbiljetten van 1 maart 2006 respectievelijk 2 maart 2006 zijn nog uitnodigingen tot betaling vermeld die zien op andere douaneschulden dan hiervoor in 3.5.2 bedoeld. Het betreft douaneschulden die zijn ontstaan voor drie douaneaangiften van 1 september 2003 (met aangiftenummers [0001] tot en met [0003] ), voor twee douaneaangiften van 1 december 2003 (met aangiftenummers [0004] en [0005] ) respectievelijk voor een douaneaangifte van 28 oktober 2003 (met aangiftenummer [0006] ). Ter zake van deze douaneaangiften resteerde voldoende tijd om belanghebbende voor het verstrijken van de verjaringstermijn van drie jaar in de gelegenheid te stellen te worden gehoord over het voornemen douanerechten te heffen en om haar daarbij voor het geven van een reactie een als redelijk aan te merken termijn te stellen. Voor deze uitnodigingen tot betaling heeft de Inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel dus wel geschonden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0fea3fd77e4018d5fcd49a07e8f23d013b1405502d4096fd84749d7b8cff0a6f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0fea3fd77e4018d5fcd49a07e8f23d013b1405502d4096fd84749d7b8cff0a6f, en de alinea staat in dat document op bytes 12226 tot 13243.