Citaat | Hoge Raad 30 juni 2020

Onder 2.6 Hoge Raad 30 juni 2020

Een alinea uit Hoge Raad 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1149.

Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake was van een situatie zoals bedoeld in 2.4.2, waarin het beoogde slachtoffer gelet op de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van wat het hof heeft vastgesteld over de aard van de in de bewezenverklaring bedoelde mededelingen en de context waarin deze zijn gedaan, waaruit onder meer naar voren komt dat de aangeefster ermee bekend was dat alle handelingen van de verdachte erop waren gericht apparatuur uit winkels te verkrijgen zonder daarvoor (volledig) te betalen en dat de verdachte haar had toegezegd dat haar naam uit de systemen van de providers zou worden verwijderd ondanks de verstrekking van gratis telefoons en de afsluiting van telefoonabonnementen. Gelet hierop is de bewezenverklaring van de onder 6 tenlastegelegde oplichting onvoldoende gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/27883df21c4ae193222488b4044b8b49056422e81c3533438412ceeb0e2108f3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 27883df21c4ae193222488b4044b8b49056422e81c3533438412ceeb0e2108f3, en de alinea staat in dat document op bytes 22137 tot 23139.