Citaat | Hoge Raad 24 januari 2020

Onder 3.3.3 Hoge Raad 24 januari 2020

Een alinea uit Hoge Raad 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115.

Artikel 2 van de Wet Vpb 1969 omschrijft een fonds voor gemene rekening als “een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, mits van de deelgerechtigdheid in het fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid”. Deze omschrijving brengt mee dat een fonds alleen dan een fonds voor gemene rekening is indien het beoogt zijn vermogen te beleggen of anderszins aan te wenden voor de gemeenschappelijke rekening van twee of meer deelgerechtigden en dit ook feitelijk het geval is. Een fonds voor slechts één gerechtigde kan daarom niet worden aangemerkt als een fonds voor gemene rekening. Dit laat onverlet dat een beleggingsfonds zijn karakter van fonds voor gemene rekening niet verliest, indien de bewijzen van deelgerechtigdheid in zijn vermogen voor korte tijd in één hand komen. Op de eerste prejudiciële vraag moet daarom worden geantwoord dat fondsen voor gemene rekening in de zin van artikel 2 van de Wet Vpb 1969 uitsluitend fondsen kunnen zijn voor de gemeenschappelijke belegging of andere aanwending van vermogen. Hierbij is niet van belang of de gerechtigde tot dat vermogen zelf voor gemene rekening belegt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/084a84aba1174fd9a462f9145ed4ca74d4404a9683f915f5f6cd4cf63de03f5e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 084a84aba1174fd9a462f9145ed4ca74d4404a9683f915f5f6cd4cf63de03f5e, en de alinea staat in dat document op bytes 19721 tot 21035.