Citaat | Hoge Raad 8 september 2020

Onder 3.2 Hoge Raad 8 september 2020

Een alinea uit Hoge Raad 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1379.

De verbalisanten [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1]) en [verbalisant 2] (hierna: [verbalisant 2]) krijgen op 16 mei 2013 omstreeks 03.37 uur, een melding van een mogelijke woninginbraak aan de [a-straat 1] te [plaats] (proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1236 2013048186-2 van 16 mei 2013). De twee mogelijke inbrekers zijn weggelopen richting de [b-straat]. Om 03.47 uur zijn de voornoemde verbalisanten ter plaatse op [c-straat], dat ligt in het verlengde van de [b-straat]. [verbalisant 1] ziet dan twee personen [c-straat] oversteken. Beide verbalisanten zien dat beide personen weg beginnen te rennen na het zien van een opvallend dienstvoertuig. Zij zien dat beide personen de bosschages in rennen. Een van hen, die later bleek te zijn verdachte, lag op zijn buik in de bosschages. Hij wordt met zijn handen tegen het achterliggende elektriciteitshuisje aangezet en daar aangehouden. De andere persoon rent door en wordt even later ook aangehouden door collega's van de voornoemde verbalisanten. Hij blijkt te zijn: [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) en bij hem wordt tijdens een veiligheidsfouillering een autosleutel aangetroffen van het merk Opel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/052ebd71f0e708f46c7efae6942a921cceeb04ef7ce5be8ca33a94533abe75c9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 052ebd71f0e708f46c7efae6942a921cceeb04ef7ce5be8ca33a94533abe75c9, en de alinea staat in dat document op bytes 9906 tot 11094.