Citaat | Hoge Raad 27 oktober 2020

Onder 3.3.1 Hoge Raad 27 oktober 2020

Een alinea uit Hoge Raad 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1642.

Het hof heeft, gelet op de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade, kennelijk geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partij [aangeefster 3] sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in artikel 106, aanhef en onder b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), welke aantasting het gevolg is van het bewezenverklaarde feit, kort gezegd de diefstal uit de woning van de benadeelde partij en de diefstal van trouwringen uit die woning door de verdachte.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd97682c1d1163fb866e0c316110856a51a709052733872cd4c28726a87ea293. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd97682c1d1163fb866e0c316110856a51a709052733872cd4c28726a87ea293, en de alinea staat in dat document op bytes 13328 tot 13873.