Citaat | Hoge Raad 6 november 2020

Onder 3.2.2 Hoge Raad 6 november 2020

Een alinea uit Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746.

Art. 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Anders dan uit het arrest Groen/Schoevers wel is afgeleid, speelt de bedoeling van partijen dus geen rol bij de bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7ec0bed9568c86beb05c66f5d0b2ee120e8c502bf33510500b06a7a8b7fd78f6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7ec0bed9568c86beb05c66f5d0b2ee120e8c502bf33510500b06a7a8b7fd78f6, en de alinea staat in dat document op bytes 24403 tot 25326.