Citaat | Hoge Raad 1 december 2020

Onder 2 Hoge Raad 1 december 2020

Een alinea uit Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889.

Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. Ook aan dit in de conclusie van de advocaat-generaal onder 120 benoemde uitgangspunt van subsidiariteit houdt de Hoge Raad vast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/522dfe16b7a2cebc61b43381daa3ad93daa7a78bf5ca387c0cb151b1389a8623. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 522dfe16b7a2cebc61b43381daa3ad93daa7a78bf5ca387c0cb151b1389a8623, en de alinea staat in dat document op bytes 12847 tot 13712.