Citaat | Hoge Raad 1 december 2020

Onder 3.6. Hoge Raad 1 december 2020

Een alinea uit Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890.

Het hof neemt als vaststaand aan dat op geen enkel moment door de Nederlandse autoriteiten aan de Venezolaanse autoriteiten om uitlevering door middel van een rechtshulpverzoek is gevraagd. Het hof acht op grond van de verklaring van de getuige [getuige], zie 3.6, voldoende aannemelijk geworden dat het uitblijven van een uitleveringsverzoek samenhangt met de in dit geval te verwachten reactie van de Venezolaanse autoriteiten, te weten uitzetting van verdachte. De omstandigheid dat deze beslissing vervolgens ook daadwerkelijk is genomen door de Venezolaanse autoriteiten is een gegeven dat niet ter beoordeling van dit college voorligt. Het is niet Nederland maar Venezuela dat zich in de visie van de raadsman heeft schuldig gemaakt aan verkapte overlevering. De stelling van de verdediging, zo juist, dat de Venezolaanse autoriteiten kennelijk enkel naar aanleiding van het Europees arrestatiebevel hebben besloten tot uitzetting van verdachte maakt dit niet anders. Niet aannemelijk is geworden dat de Nederlandse autoriteiten bewust hebben gestuurd op uitzetting in plaats van uitlevering door de Venezolaanse autoriteiten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/83ef6c02aeccea224ed83b8df68ee4ad667b154b3ba5c87a34af73cafaa76e24. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 83ef6c02aeccea224ed83b8df68ee4ad667b154b3ba5c87a34af73cafaa76e24, en de alinea staat in dat document op bytes 43414 tot 44559.