Citaat | Hoge Raad 11 december 2020

Onder 3.1.3 Hoge Raad 11 december 2020

Een alinea uit Hoge Raad 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2007.

Uit de arresten van het HvJEU in de zaken Commissie/Kronoply en Kronotex en 3F/Commissie volgt dat voor het antwoord op de vraag of een justitiabele als belanghebbende in de zin van art. 108 lid 2 VWEU en art. 1, aanhef en onder h, Procedureverordening kan worden aangemerkt, van belang is dat de steun haar situatie concreet dreigt te beïnvloeden. Het HvJEU heeft in het arrest in de zaak Streekgewest Westelijk Noord-Brabant overwogen dat wanneer de nationale rechter een miskenning van het verbod om steunmaatregelen tot uitvoer te brengen vaststelt, die wordt aangevoerd door justitiabelen die zich daarop kunnen beroepen, hij daaruit overeenkomstig zijn nationale recht alle consequenties moet trekken. Verder heeft het HvJEU geoordeeld dat een justitiabele die onderworpen is aan een heffing die integrerend deel uitmaakt van een steunmaatregel en die in strijd met het uitvoeringsverbod wordt geïnd, zich daarop kan beroepen, ongeacht of hij wordt geraakt door concurrentievervalsing als gevolg van de steunmaatregel. Het Unierecht eist dus dat een justitiabele wiens situatie door de steun concreet dreigt te worden beïnvloed, zich op art. 108 VWEU kan beroepen. In het licht van de hiervoor weergegeven rechtspraak van het HvJEU ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen over de uitleg van art. 108 VWEU.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a4e6ae99fb4b69d858d3b872039b34b78f21714986642ce2ef399f54be0b8d5b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a4e6ae99fb4b69d858d3b872039b34b78f21714986642ce2ef399f54be0b8d5b, en de alinea staat in dat document op bytes 15298 tot 16789.