Citaat | Hoge Raad 15 december 2020

Onder 5.3.3 Hoge Raad 15 december 2020

Een alinea uit Hoge Raad 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2037.

Artikel 131a Sv voorziet in de mogelijkheid dat het horen, verhoren of ondervragen van personen gebeurt door middel van videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tot stand komt, met uitzondering van de in het Besluit videoconferentie genoemde gevallen. Op grond van deze regeling is het mogelijk dat onder meer de verdachte niet in de zittingszaal aanwezig is, maar door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding deelneemt aan een zitting. Op grond van artikel 2 lid 1 Besluit videoconferentie is voor het gebruik van videoconferentie ten aanzien van de verdachte in beginsel de instemming van de verdachte of de raadsman vereist bij de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting van de meervoudige kamer.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/32e2cb707904640fb9aeb935cb1d797bb48332bc2f29f06f04781cefee268723. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 32e2cb707904640fb9aeb935cb1d797bb48332bc2f29f06f04781cefee268723, en de alinea staat in dat document op bytes 34020 tot 34787.