Citaat | Hoge Raad 18 december 2020
Onder 3.4.1 Hoge Raad 18 december 2020
Een alinea uit Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2048.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het per 1 januari 1997 ingevoerde artikel 8a, lid 1, aanhef en letter c, Wet op de inkomstenbelasting 1964, de voorloper van de (huidige) aftrekuitsluiting, volgt dat de wetgever niet heeft bedoeld om voor het begaan van een misdrijf een extra straf op te leggen, maar om het begaan van misdrijven niet langer fiscaal te faciliteren (zie de onderdelen 3.47, 3.50 en 3.51 van de conclusie van de Advocaat‑Generaal). Een dergelijke facilitering van criminaliteit werd ongerijmd en maatschappelijk ongewenst geacht. Aangenomen moet worden dat dit een en ander ook de strekking is van artikel 3.14, lid 1, aanhef en letter d, Wet IB 2001.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e53dde39bec1ee0a8e1502f84805d2d0ca5620c5cfb5d3b7733ee0d02f0a26ca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e53dde39bec1ee0a8e1502f84805d2d0ca5620c5cfb5d3b7733ee0d02f0a26ca, en de alinea staat in dat document op bytes 15656 tot 16416.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e53dde39bec1ee0a8e1502f84805d2d0ca5620c5cfb5d3b7733ee0d02f0a26ca | shasum -a 256