Citaat | Hoge Raad 10 januari 2020
Onder 2.5.2. Hoge Raad 10 januari 2020
Een alinea uit Hoge Raad 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21.
Uit Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 94, in samenhang gelezen met Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, blz. 58 en 59, blijkt dat de wetgever met de objectieve voorwaarde voor ogen heeft gestaan dat wordt nagegaan of de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt als belegging, dat wil zeggen met het oog op het verkrijgen van een rendement dat bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. Als een dergelijk streven niet aanwezig is, is niet aan de objectieve voorwaarde voldaan. Daarnaast geldt niet als zelfstandig vereiste dat de belastingplichtige een onderneming drijft (vgl. HR 14 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0829). Van het houden van een aandelenbelang als belegging kan in elk geval niet worden gesproken (a) indien de onderneming van het lichaam waarin wordt deelgenomen in het verlengde ligt van de onderneming van de belastingplichtige, (b) indien de belastingplichtige een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van een groep, of (c) indien en voor zover de belastingplichtige als participatiemaatschappij belangen houdt in een of meer lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/669e0a33478011ed4fc9e2d6306a32d4c5d349798fcc0de3ca24ee7f81b35512. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 669e0a33478011ed4fc9e2d6306a32d4c5d349798fcc0de3ca24ee7f81b35512, en de alinea staat in dat document op bytes 14290 tot 15555.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/669e0a33478011ed4fc9e2d6306a32d4c5d349798fcc0de3ca24ee7f81b35512 | shasum -a 256