Citaat | Hoge Raad 10 januari 2020
Onder 2.6.3. Hoge Raad 10 januari 2020
Een alinea uit Hoge Raad 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21.
De regeling van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet (hierna ook: de regeling) geldt uitsluitend voor buitenlandse belastingplichtigen, terwijl bij binnenlandse belastingplichtigen in de door de regeling bestreken situaties veelal de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet toepassing vindt op het desbetreffende belang. Daarmee beperkt de regeling de vrijheid die een belastingplichtige heeft om zijn economische belangen en (financiële) middelen onder te brengen in een in Nederland gevestigde vennootschap (vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, rechtsoverweging 2.6.3, laatste alinea). Met deze beperking kan de regeling echter in andere lidstaten van de Europese Unie gevestigde lichamen benadelen of belemmeren bij de uitoefening van hun door het VWEU gewaarborgde verkeersvrijheden en in strijd komen met de verplichtingen die voortvloeien uit de moeder-dochterrichtlijn. De subjectieve voorwaarde moet daarom zo worden uitgelegd en toegepast dat geen inbreuk op het Unierecht wordt gemaakt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/669e0a33478011ed4fc9e2d6306a32d4c5d349798fcc0de3ca24ee7f81b35512. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 669e0a33478011ed4fc9e2d6306a32d4c5d349798fcc0de3ca24ee7f81b35512, en de alinea staat in dat document op bytes 19058 tot 20097.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/669e0a33478011ed4fc9e2d6306a32d4c5d349798fcc0de3ca24ee7f81b35512 | shasum -a 256