Citaat | Hoge Raad 10 januari 2020

Onder 3.2.2 Hoge Raad 10 januari 2020

Een alinea uit Hoge Raad 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:28.

In rov. 3.7 en 3.8 heeft het hof de aansprakelijkheid van de Bank gebaseerd op schending door de Bank van de op haar rustende bijzondere zorgplicht in de adviseringsfase. Die schending bestaat immers erin dat de Bank [verweerder] niet erop had gewezen dat zij geen eigen oordeel had over het prospectus en daarmee bij hem de indruk had gewekt dat zij achter het Fonds stond. Bij zijn beoordeling welke schade als gevolg van deze gebeurtenis aan de Bank kan worden toegerekend als bedoeld in art. 6:98 BW heeft het hof in rov. 3.10 mede betrokken dat de Bank een op haar rustende onderzoeksplicht heeft geschonden. Het hof heeft echter niet vastgesteld dat de Bank ter zake van het achterwege laten van onderzoek een verwijt treft. Het hof heeft aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht slaagt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8bd88eb84c6d443d0297dd5a58e4ef2a4ccdf808f481bef2eca2c23a6c77af41. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8bd88eb84c6d443d0297dd5a58e4ef2a4ccdf808f481bef2eca2c23a6c77af41, en de alinea staat in dat document op bytes 21673 tot 22503.