Citaat | Hoge Raad 10 januari 2020

Onder 3.5 Hoge Raad 10 januari 2020

Een alinea uit Hoge Raad 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:28.

Ten overvloede wordt overwogen dat het verwijt dat het hof de Bank in deze zaak maakt – te weten dat de Bank [verweerder] niet erop heeft gewezen dat zij geen eigen oordeel had over het prospectus en daarmee bij hem de indruk had gewekt dat zij achter het Fonds stond – een ander verwijt is dan aan de orde was in de hiervoor in 3.4 genoemde uitspraken. In een geval als het onderhavige kan voor de beoordeling van de vraag of de schade in redelijkheid als gevolg aan de aan de Bank verweten gedraging kan worden toegerekend, van belang zijn wat de Bank te weten zou zijn gekomen als zij zich wel – overeenkomstig de indruk die zij heeft gewekt – een eigen oordeel over het prospectus zou hebben gevormd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8bd88eb84c6d443d0297dd5a58e4ef2a4ccdf808f481bef2eca2c23a6c77af41. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8bd88eb84c6d443d0297dd5a58e4ef2a4ccdf808f481bef2eca2c23a6c77af41, en de alinea staat in dat document op bytes 23510 tot 24235.