Citaat | Hoge Raad 17 maart 2020

Onder 2.2.3 Hoge Raad 17 maart 2020

Een alinea uit Hoge Raad 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:374.

- [betrokkene 2], bijgenaamd ā€œ[betrokkene 2]ā€ en eigenaar van het Koeriersbedrijf [C], leverde in opdracht van medeverdachte [medeverdachte] de telefoonkaarten af bij [betrokkene 1] en [betrokkene 5] en stortte de contant ontvangen gelden op de Postbankrekening van [verdachte]; blijkens bijlage D‑046 moet het daarbij om miljoenen Euro per jaar gaan; zo is bijvoorbeeld in de periode juli 2001 tot en met december 2001 voor een totaal bedrag van ruim f 11.250.000,- aan Belgische afnemers geleverd blijkens de door [verdachte] ingediende aangiften omzetbelasting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/87781c137facbbf61fa1cbc1be659b25995ab07855c0b15742eb136d3f4e2725. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 87781c137facbbf61fa1cbc1be659b25995ab07855c0b15742eb136d3f4e2725, en de alinea staat in dat document op bytes 15738 tot 16321.