Citaat | Hoge Raad 24 maart 2020

Onder 3.2.4 Hoge Raad 24 maart 2020

Een alinea uit Hoge Raad 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:447.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het bij social media er om gaat een publiek te vinden, en ‘volgers’ te verleiden de gedeelde berichten en daarmee (uiteindelijk) ook de achterliggende boodschap te lezen en liefst te ‘liken’. Daarbij vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans: mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Tenslotte speelt voor het opruiend karakter van de Facebookpagina van de verdachte nog een rol dat de bestanden herhaaldelijk bekeken kunnen worden. Bestanden die op Facebook worden gezet verdwijnen immers niet, althans niet ‘vanzelf’. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt versterkt door het gegeven dat de ‘content’ – de inhoud van die berichten – permanent is op te roepen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4a2fd468a1eb6f99bd7db37bc285f2d8665dec4d90a926e3bc786b5d8b7ee64e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4a2fd468a1eb6f99bd7db37bc285f2d8665dec4d90a926e3bc786b5d8b7ee64e, en de alinea staat in dat document op bytes 87279 tot 88172.