Citaat | Hoge Raad 17 maart 2020
Onder 2.2.3 Hoge Raad 17 maart 2020
Een alinea uit Hoge Raad 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:454.
Ten aanzien van de manier van lopen moet dan worden vastgesteld dat de persoon op de beelden een afwijkend manier van lopen heeft, dat hem onderscheid van andere personen, en dat die afwijkend manier van lopen tevens bij cliënt wordt gezien. Immers alle drie de verbalisanten noemen de manier van lopen onderscheidend, in ieder geval onderscheidend genoeg om als criterium te noemen waarom de man op de beelden cliënt is en niet een ander. Ik heb die beelden gezien en kan niets vaststellen omtrent een afwijkende manier van lopen. Ik stel overigens vast dat ook de agenten daaromtrent niets stellen. Daarop zou kunnen worden gereageerd dat ook cliënt geen afwijkende manier van lopen heeft, hetgeen juist is, maar die vaststelling leidt vervolgens niet tot een criterium om cliënt te kunnen onderscheiden van een willekeurige derde.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1f6fda367a5e4cadae6e5109c8ae3c830d45fb14bb26d364229437d203eb0d0f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1f6fda367a5e4cadae6e5109c8ae3c830d45fb14bb26d364229437d203eb0d0f, en de alinea staat in dat document op bytes 21486 tot 22336.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1f6fda367a5e4cadae6e5109c8ae3c830d45fb14bb26d364229437d203eb0d0f | shasum -a 256