Citaat | Hoge Raad 20 maart 2020

Onder 2.4 Hoge Raad 20 maart 2020

Een alinea uit Hoge Raad 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:484.

Art. 3:24 BW bepaalt dat indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling tot verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel in de registers wordt ingeschreven, een eveneens voor inschrijving in de registers vatbaar feit niet met betrekking tot dat registergoed ingeschreven was, dit feit aan de verkrijger niet kan worden tegengeworpen, tenzij hij het kende. Met “een eveneens voor inschrijving in de registers vatbaar feit” wordt gedoeld op een niet-ingeschreven feit dat wel voor inschrijving vatbaar is, maar dat ook zonder inschrijving rechtsgevolgen heeft voor de rechtstoestand van een registergoed. De overgang van de hypotheekrechten van Rabobank naar het (nieuwe) [perceel 3] is een voor inschrijving vatbaar feit als hier bedoeld. De hypotheekrechten hadden immers, zoals ook de bedoeling was, kunnen worden vermeld in de ruilverkavelingsakte, welke akte krachtens de Liw dient te worden ingeschreven, waarna de bewaarder de aantekening had gemaakt als bedoeld in art. 208 lid 3 Liw (oud). De ruilverkavelingsakte maakt onderdeel uit van de openbare registers, zodat het niet vermelden van de hypotheekrechten van Rabobank in deze akte een onvolledigheid van de openbare registers oplevert. (rov. 5.7)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/165bcff51ae9b6f2247a35087d644f6262a3672725aa3770c49916a65c81063a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 165bcff51ae9b6f2247a35087d644f6262a3672725aa3770c49916a65c81063a, en de alinea staat in dat document op bytes 14307 tot 15559.