Citaat | Hoge Raad 21 april 2020
Onder 4.8.2 Hoge Raad 21 april 2020
Een alinea uit Hoge Raad 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:712.
Met betrekking tot de patiënt geldt in geval van voortgeschreden dementie dat deze eis geen betrekking meer kan hebben op zijn actuele overtuiging. Wat betreft zijn overtuiging ten tijde van het vastleggen van zijn verzoek geldt dat doorgaans reeds uit het schriftelijke verzoek zelf of uit de omstandigheden waaronder het destijds is vastgelegd naar voren komt dat de patiënt (het ontbreken van) redelijke andere oplossingen voor de in de schriftelijke verklaring omschreven situatie waarin hij om levensbeëindiging verzoekt, in ogenschouw heeft genomen en heeft betrokken in de beslissing het schriftelijk verzoek op te stellen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/76c451ae7b9e823fa4d80e49a3d34c49da8a5f36176d3da0f00cebccec4fa4f8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 76c451ae7b9e823fa4d80e49a3d34c49da8a5f36176d3da0f00cebccec4fa4f8, en de alinea staat in dat document op bytes 37329 tot 38039.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/76c451ae7b9e823fa4d80e49a3d34c49da8a5f36176d3da0f00cebccec4fa4f8 | shasum -a 256