Citaat | Hoge Raad 24 april 2020

Onder 2.5.1 Hoge Raad 24 april 2020

Een alinea uit Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:810.

De kantonrechter heeft in het vonnis van 27 februari 2013 het beroep op verjaring van Dexia geslaagd geacht en om die reden de vordering van de man afgewezen. In de huidige procedure doet Leaseproces een beroep op de stuitende werking van de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure van de stichting Eegalease en anderen tegen Dexia (hierna: de collectieve procedure). De man heeft in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 27 februari 2013 geen beroep gedaan op die stuitende werking. Pas na het vonnis van 27 februari 2013 is komen vast te staan dat de collectieve procedure de verjaring van de mogelijkheid om de effectenleaseovereenkomst te vernietigen heeft gestuit en wel tot uiterlijk zes maanden na de beschikking van 25 januari 2007 van het hof Amsterdam waarin de WCAM-overeenkomst verbindend is verklaard. Voor effectenleaseovereenkomsten die na 13 maart 2000 zijn aangegaan, zoals in deze zaak, heeft dit tot gevolg dat de bevoegdheid om de effectenleaseovereenkomst te vernietigen niet is verjaard. (rov. 3.7) In het vonnis van 27 februari 2013 heeft de kantonrechter beslist over de rechtsbetrekking die in dit geding in geschil is, namelijk de vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de vrouw op grond van het ontbreken van haar (schriftelijke) toestemming voor het aangaan van de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende (restitutie)vordering(en). De bijzondere regeling van art. 1:88 BW in verbinding met art. 1:89 BW maakt het mogelijk dat niet alleen de handelende echtgenoot, maar ook de niet handelende echtgenoot de rechtsvorderingen kan instellen die voortvloeien uit een beroep op de vernietigingsgrond van art. 1:89 lid 1 BW. Dat roept de vraag op of in het geval waarin beide echtgenoten ieder in een eigen procedure tegen dezelfde wederpartij van deze bevoegdheid gebruik maken, sprake is van dezelfde partijen in de zin van art. 236 Rv. In deze procedure ziet het hof de vordering van Leaseproces als een vordering van alleen de vrouw; dat in dezelfde akte van cessie ook vorderingen van de man aan Leaseproces zijn overgedragen, maakt dit niet anders. (rov. 3.8) Leaseproces wijst er met juistheid op dat de ratio van art. 1:88 BW is echtgenoten in hun onderlinge verhouding, dus ten opzichte van elkaar, te beschermen. Uit eerdere rechtspraak volgt dat, indien de handelende echtgenoot door een vaststellingsovereenkomst met Dexia afstand heeft gedaan van alle rechten uit hoofde van of verband houdende met de effectenleaseovereenkomst, de niet handelende echtgenoot bevoegd blijft om de effectenleaseovereenkomst op grond van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW te vernietigen. Omdat de bevoegdheid tot vernietiging niet aan de handelende echtgenoot toekomt, maar alleen aan de niet handelende echtgenoot, heeft de handelende echtgenoot van die bevoegdheid geen afstand kunnen doen. In het verlengde daarvan heeft de handelende echtgenoot ook geen afstand kunnen doen van de in art. 1:89 lid 5 BW aan de niet handelende echtgenoot toegekende bevoegdheid om alle uit de nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen in te stellen. (rov. 3.10)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2bcbeefd39b3fa7811b3826dbcde2466d6ac0676e1e69dc0f2a820d0ef427141. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2bcbeefd39b3fa7811b3826dbcde2466d6ac0676e1e69dc0f2a820d0ef427141, en de alinea staat in dat document op bytes 11626 tot 14791.