Citaat | Hoge Raad 24 april 2020

Onder 2.8.1 Hoge Raad 24 april 2020

Een alinea uit Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:810.

De eerste prejudiciële vraag stelt aan de orde of rechtsvorderingen tot vernietiging, dan wel berustend op vernietiging , van de effectenleaseovereenkomst, moeten worden beschouwd als ingesteld ten behoeve van de gezamenlijke echtgenoten, zodat de daarop gegeven beslissingen die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, bindende kracht hebben jegens beide echtgenoten. Uit rov. 3.11 van het eerste tussenarrest (hiervoor in 2.5.1 weergegeven) blijkt dat het hof daarbij het oog heeft op de mogelijkheid dat ter zake van de in geding zijnde vorderingsrechten een gemeenschap bestaat als bedoeld in art. 3:166 BW, in welk geval iedere deelgenoot rechtsvorderingen kan instellen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap (art. 3:171 BW, zie hiervoor in 2.7.3).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2bcbeefd39b3fa7811b3826dbcde2466d6ac0676e1e69dc0f2a820d0ef427141. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2bcbeefd39b3fa7811b3826dbcde2466d6ac0676e1e69dc0f2a820d0ef427141, en de alinea staat in dat document op bytes 26621 tot 27480.