Citaat | Hoge Raad 24 april 2020
Onder 2.9.1 Hoge Raad 24 april 2020
Een alinea uit Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:810.
De tweede prejudiciële vraag stelt aan de orde of een rechterlijke beslissing over de vraag of de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst is verjaard – en daarmee over de vraag of die overeenkomst nog door een buitengerechtelijke verklaring kan worden vernietigd (zie art. 3:52 lid 2 BW) – bindende kracht heeft in de zin van art. 236 Rv (de Hoge Raad begrijpt: op andere gronden dan bedoeld in de eerste vraag) niet alleen jegens de echtgenoot die in het geding als procespartij is opgetreden, maar ook jegens de andere echtgenoot die geen formele procespartij was in dat geding.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2bcbeefd39b3fa7811b3826dbcde2466d6ac0676e1e69dc0f2a820d0ef427141. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2bcbeefd39b3fa7811b3826dbcde2466d6ac0676e1e69dc0f2a820d0ef427141, en de alinea staat in dat document op bytes 30572 tot 31232.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2bcbeefd39b3fa7811b3826dbcde2466d6ac0676e1e69dc0f2a820d0ef427141 | shasum -a 256