Citaat | Hoge Raad 24 april 2020
Onder 2.9.3 Hoge Raad 24 april 2020
Een alinea uit Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:810.
Uit de hiervoor in 2.6.1-2.6.4 en 2.9.2 weergegeven strekking en kenmerken van de regeling van de art. 1:88 BW en 1:89 BW moet worden afgeleid dat naar de bedoeling van de wetgever de rechtsverhouding tussen de partijen bij die rechtshandeling enerzijds en tussen de niet handelende echtgenoot en de wederpartij van de handelende echtgenoot anderzijds, niet kan worden aangemerkt als processueel ondeelbaar. Dat blijkt ook uit art. 1:89 lid 4 BW, waarin is bepaald dat de niet handelende echtgenoot de verklaring of rechtsvordering tot vernietiging, in afwijking van de art. 3:50 lid 1 BW en 3:51 lid 2 BW, niet mede behoeft te richten tot de echtgenoot die de handeling heeft verricht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2bcbeefd39b3fa7811b3826dbcde2466d6ac0676e1e69dc0f2a820d0ef427141. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2bcbeefd39b3fa7811b3826dbcde2466d6ac0676e1e69dc0f2a820d0ef427141, en de alinea staat in dat document op bytes 32403 tot 33103.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2bcbeefd39b3fa7811b3826dbcde2466d6ac0676e1e69dc0f2a820d0ef427141 | shasum -a 256