Citaat | Hoge Raad 15 mei 2020

Onder 3.7 Hoge Raad 15 mei 2020

Een alinea uit Hoge Raad 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:889.

Opmerking verdient nog dat, zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.6.2 is overwogen, voor een regresvordering uit hoofde van art. 7:961 lid 3 BW niet geldt wat in het arrest ASR/Achmea aan het slot van rov. 3.7.2 is overwogen. Die overweging – waarin wordt verwezen naar HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3686 en HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041 – brengt tot uitdrukking dat indien reeds daadwerkelijk schade is geleden, zodat een opeisbare schadevergoedingsvordering bestaat, die vordering mede omvat de toekomstige schadeposten die als afzonderlijke elementen van dezelfde doorlopende schade moeten worden gezien, en voorzienbaar zijn. Ook voor die schadeposten bestaat dan dus reeds een opeisbare vordering tot schadevergoeding. Die overweging ziet dan ook niet op een rechtsvordering die nog niet is ontstaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6928d91aa41dada1d58fa9beee4cc2abeafe9cead1e7adff3ae18aeeeac09026. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6928d91aa41dada1d58fa9beee4cc2abeafe9cead1e7adff3ae18aeeeac09026, en de alinea staat in dat document op bytes 21501 tot 22346.