Citaat | Hoge Raad 29 mei 2020

Onder 3.7. Hoge Raad 29 mei 2020

Een alinea uit Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:984.

In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (HR 8 december 2006, NJ 2006, 659) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8a95cc72a53edf08ce63d1bb9adfb2e5cd110178a18e161a065dacf5e404fd3f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8a95cc72a53edf08ce63d1bb9adfb2e5cd110178a18e161a065dacf5e404fd3f, en de alinea staat in dat document op bytes 21757 tot 22670.