Citaat | Hoge Raad 29 mei 2020

Onder 4.2.1 Hoge Raad 29 mei 2020

Een alinea uit Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:991.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 (hierna: het arrest van 5 april 2019) heeft het Hof aan zijn hiervoor in 2.5.2 weergegeven oordelen terecht ten grondslag gelegd dat de Inspecteur bij toepassing van artikel 34, lid 1, van de Wet niet hoeft te bewijzen dat belanghebbende het motorrijtuig voortdurend in Nederland ter beschikking heeft gehad. De Inspecteur heeft kunnen volstaan met het toepassen van het berekeningsvoorschrift van artikel 34, lid 2, tweede volzin, van de Wet. Dit berekeningsvoorschrift houdt in dat de hoogte van de naheffingsaanslag - aan de hand van het vermoeden van hoofdverblijf in Nederland en het vermoeden van de duur van het houderschap in Nederland - wordt vastgesteld op het totaal van de bedragen aan motorrijtuigenbelasting dat voor het motorrijtuig is verschuldigd voor alle tijdvakken die zijn gelegen vanaf de dag van (het ontstaan van de verplichting tot) inschrijving van de betrokken persoon in de BRP tot en met de dag vóór constatering van het gebruik van de weg in Nederland. In dit geval heeft de Inspecteur de naheffing daarom erop kunnen baseren dat belanghebbende (in elk geval) sinds 1 januari 2012 zijn hoofdverblijf in Nederland heeft en dat de auto hem gedurende de tijdvakken, gelegen in de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 14 december 2015, feitelijk ter beschikking heeft gestaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e86d8739cf2e1845396c32142e44605fa3a5d8a07148b929589d5f372a6b709d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e86d8739cf2e1845396c32142e44605fa3a5d8a07148b929589d5f372a6b709d, en de alinea staat in dat document op bytes 11178 tot 12694.