Citaat | Hoge Raad 16 juli 2021
Onder 3.6 Hoge Raad 16 juli 2021
Een alinea uit Hoge Raad 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1152.
Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat de uitkering van het eerste deel van de bonussen niet ten laste komt van de winst van belanghebbende van het jaar 2010/2011. Het heeft vastgesteld dat het boekjaar 2010/2011 van belanghebbende eindigde op 31 januari 2011 en dat op die datum (i) de aandelen in de hiervoor in 2.7 bedoelde, tot die datum met [J] gevoegde BV (met gevoegde dochtermaatschappijen) zijn geleverd aan [C] , (ii) de BV uit de fiscale eenheid met [J] is ontvoegd, en (iii) de tot de [X] -groep behorende vennootschappen zijn opgegaan in de fiscale eenheid met belanghebbende. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat vóór 31 januari 2011 bindend vaststond dat de aandelen in de [X] -groep op 31 januari 2011 zouden worden geleverd en dat de verkoop op die datum zou zijn voltooid. Het Hof heeft vervolgens als uitgangspunt genomen hetgeen is bepaald in artikel 13, lid 1, van het Besluit fiscale eenheid 2003 (hierna: BFE) en artikel 7, lid 4, van de Wet. Voor de BV houden deze bepalingen in dat het boekjaar van de BV op 30 januari 2011 eindigt en dat zij per die datum een vermogensopstelling opmaakt ter bepaling van haar vermogen direct na de ontvoeging. De ontvoeging dient te worden aangemerkt als een realisatiemoment, aldus het Hof, en in elk geval als een moment waarop vermogensbestanddelen van de ene belastingplichtige ( [J] ) naar de andere belastingplichtige (belanghebbende) overgaan. Dit betekent dat bij het opmaken van de vermogensopstelling van de ontvoegende [X] -groep aan goedkoopmansgebruik geen betekenis toekomt, omdat die vermogensopstelling een kwestie van totaalwinst betreft. De enkele omstandigheid dat de (verplichting tot) betaling van de eerste tranche van de bonussen is gekoppeld aan het tijdstip van de verkoop van de aandelen en het nog in dienst zijn van werknemers/deelnemers aan de bonusregeling op de desbetreffende dag (31 januari 2011), houdt derhalve niet, althans niet zonder meer, in dat de voorwaardelijke verplichting tot betaling van de bonussen niet in de vermogensopstelling van de BV per 30 januari 2011 tot uiting behoort te komen. Voor de BV is die verplichting op 30 januari 2011 (24.00 uur) afhankelijk van voorwaarden waaraan – naar tussen partijen niet in geschil is – op 31 januari 2011 is voldaan. In een dergelijk geval dient voor de vermogensopstelling van de BV per 30 januari 2011 (24.00 uur) een redelijke schatting te worden gemaakt van de kans dat aan deze voorwaarden niet wordt voldaan. Het Hof heeft de kans dat de levering van de aandelen niet op 31 januari 2011 zou worden verricht, verwaarloosbaar geacht. Hetzelfde heeft het Hof geoordeeld met betrekking tot de kans dat de desbetreffende werknemers niet op 31 januari 2011 nog bij [J] of de [X-groep] in dienst zouden zijn. Uit dit een en ander volgt, aldus het Hof, dat het niet is toegestaan om de verplichting tot het verrichten van de betaling niet ten volle in de op de voet van artikel 13, lid 1, BFE op te maken vermogensopstelling van de BV in aanmerking te nemen. Hieruit volgt dat de (verplichting tot die) betaling nog tot het resultaat van [J] moet worden gerekend en niet tot het resultaat van belanghebbende over haar eerste boekjaar, eindigend op 31 januari 2011.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2efa3cff9d61d8596cdf620dda879a074a5b93d2030fb0aa858b6622b0922137. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2efa3cff9d61d8596cdf620dda879a074a5b93d2030fb0aa858b6622b0922137, en de alinea staat in dat document op bytes 24193 tot 27453.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2efa3cff9d61d8596cdf620dda879a074a5b93d2030fb0aa858b6622b0922137 | shasum -a 256