Citaat | Hoge Raad 30 november 2021

Onder 2.4.2 Hoge Raad 30 november 2021

Een alinea uit Hoge Raad 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1749.

In de strafprocedure geldt dat de verdediging op grond van art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM het recht heeft op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen. Indien voor de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft bestaan om een getuige te (doen) ondervragen, kan het gebruik van een door die getuige afgelegde verklaring in de strafzaak in strijd komen met art. 6 EVRM. (Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440.)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b6073b2f45a590bc9ea992df04e6c1c081df3d5a174916ee8864cc67bbf5ff70. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b6073b2f45a590bc9ea992df04e6c1c081df3d5a174916ee8864cc67bbf5ff70, en de alinea staat in dat document op bytes 33731 tot 34278.